Mijn vader was een Marokkaanse gastarbeider

10 nov 2018
Verhalen

Mijn moeder is al zo lang ik me kan herinneren alleen. Ze heeft me alleen opgevoed in een dorp in Brabant. Mijn vader was een Marokkaanse gastarbeider, hij leerde mijn moeder kennen in de fabriek waar ze allebei werkten. Al snel daarna raakte mijn moeder per ongeluk zwanger, maar ze was er heel blij mee. Na mijn geboorte ging mijn vader al vrij snel terug naar Marokko. Tot mijn tiende kwam hij een paar keer per jaar op bezoek. Ik was dol op mijn vader, vond het geweldig als hij er een paar dagen was. Dan klopte het gezin, waren we compleet. De laatste keer dat hij er was, gingen mijn moeder en ik op bezoek bij mijn oma. Toen we terugkwamen was mijn vader opeens weg. Hij had al zijn spullen meegenomen. Mijn moeder zei: “Hij komt niet meer terug.” Ik vroeg: “Hoe weet je dat dan?” Waarop ze antwoordde: “Dat weet ik gewoon.” Ik heb daarna nooit meer iets van hem gehoord.’

Toen ik jong was, vertelde mijn moeder nog weleens iets over mijn vader. Ik kan die herinneringen niet meer zo goed pakken. Tegenwoordig praat ze nooit meer over hem. Ik denk dat ze heel verliefd op hem was en dat ze zich misschien schaamt, omdat ze het niet goed heeft aangepakt. De dingen overkómen mijn moeder altijd. Ze kan niet vooruitdenken, geen plannen maken. Ik probeer mijn vader nu heel voorzichtig te vinden, want ik weet dat hij een gezin heeft gesticht in Marokko. Ik ben vooral benieuwd of hij nog leeft.’

Buitenstaanders
‘Mijn moeder werkte tot aan mijn geboorte. Daarna ging ze de bijstand in. Eens per maand leverde ze een briefje in bij de Sociale Dienst en dan hadden we weer geld. We hadden het niet breed: veel spullen in huis waren tweedehands en we hadden geen auto. Ik heb denk ik altijd wel gevoeld dat mijn moeder anders was dan andere moeders. In de buurt waren we ook buitenstaanders, werden we niet altijd geaccepteerd. Ik werd ook weleens gepest en buitengesloten.’

Logeren bij de juf
‘Mijn moeder was heel onvoorspelbaar. Ze was zwaarmoedig en een binnenvetter – ik vermoed dat ze eigenlijk leed onder depressies. Mijn moeder uit zich niet en schaamt zich snel. Ze is initiatiefloos. Ik denk dat ze ook heel eenzaam was, heeft nooit echt contacten kunnen onderhouden. Ze had eigenlijk alleen mij. Vanuit het niets kon ze vreemde uitbarstingen hebben. Dan werd ze zonder aanwijsbare reden boos en kreeg ik een klap of moest ik in de hoek staan. Door die onvoorspelbaarheid was ik als kind bang voor haar.

Ik merkte al jong dat sommige mensen medelijden met me hadden. Ik heb zelfs een keer gelogeerd bij een juf van groep 4, wat gek was, want dat deed verder niemand. Ik weet ook nog dat ik op school een keer per ongeluk een bal door een ruit schopte en dat ik hélemaal in paniek raakte: hoe moest ik dat thuis vertellen? Iemand zei: “Maakt niet uit, daar ben je voor verzekerd,” maar dat vond ik helemaal niet vanzelfsprekend. Uiteindelijk vroeg ik of er iemand met me mee wilde gaan om het mijn moeder te vertellen. De leerkrachten begrepen niet waarom ik zo in paniek was. Mijn moeder leek in eerste instantie goed te reageren, maar later werd ze toch nog boos. “Hoe kun je dat nou doen!” Het ging haar gewoon boven de pet. Dat was haar onmacht en daarin vond ik haar dan soms een naar mens.’

‘Wij zijn natuurlijk anders’
‘Af en toe schaamde ik me voor mijn moeder. Ze liep altijd, deed alles te voet. Ze had geen auto en was te onzeker om te fietsen en kon ook niet goed thuiszitten. Over dat lopen zeiden mensen weleens: “Waar moet je moeder toch allemaal heen?”

Ze deed wel de boodschappen en maakte eten, maar emotioneel kon ik niet bij haar terecht. Ik voelde me niet veilig thuis. Het gekke is dat ik me veel dingen niet meer scherp herinner. Ik weet wel dat ik me als kind vaak alleen voelde. Ik speelde veel alleen, tekende veel. Dat kon ik goed, ik kon me daarin uiten.

In praktisch opzicht heeft mijn moeder zich een tijdlang redelijk kunnen redden. Het leven was indertijd ook veel simpeler dan nu. Je ging naar de Sociale Dienst, en daar was dan een sociaal werker die jouw zaakjes regelde. Ze was zich er niet echt van bewust dat ze anders was. Door de pesterijen zei ze weleens iets als “wij zijn natuurlijk anders,”maar dat betrok ze niet op zichzelf. Ze kan niet reflecteren, alles is primair bij haar: “Dat kan ik niet, dat wil ik niet, dat doe ik niet.” Ze was achteraf gezien een heel kinderlijke, angstige vrouw.

Ze stimuleerde me totaal niet om mijn best te doen op school. Toch ben ik de basisschool goed doorgekomen. Daarna ging ik naar de mavo, maar daar werd ik zo gepest dat ik al snel vertrok naar het voorbereidend beroepsonderwijs. Toen ik daar eenmaal zat, kwam ik niet meer zo vaak thuis. Ik was veel buiten met vrienden, altijd op pad. Ik ontvluchtte letterlijk het huis, ging roken. Rond die tijd begon ik mijn moeder te ontgroeien, geestelijk. Mijn vriendinnen wisten wel dat het bij mij thuis niet leuk was, maar ach, we waren pubers, niemand vond het thuis leuk.’

Muizenplaag
‘Eigenlijk kreeg mijn moeder pas hulp toen ik al uit huis was. Daar ging wel een hele geschiedenis aan vooraf. Toen ik een jaar of twaalf was, kregen we twee hondjes, Yorkshire-terriërs, een vrouwtje en een mannetje. Binnen de kortste keren was er nóg een hondje. Dat was mijn lievelingshondje. Hij was een beetje vreemd, maar dat vond ik leuk, hij was heel schattig en trouw.

Wij konden niet goed voor de hondjes zorgen. Ze plasten en poepten binnen en dat dweilden we dan op. Nu denk ik: dat is te bizar voor woorden en ergens wist ik toen ook wel dat het niet klopte, maar ik wist niet hoe ik het moest oplossen, had geen referentiekader. Bovendien kon mijn moeder niet tegen kritiek, ze heeft niet het vermogen daar iets opbouwends uit te halen.

Niet lang daarna kregen we een muizenplaag en toen was het hek van de dam. Nachten lag ik wakker van het geknaag. De muizen liepen overal, alles was vies en kleverig. Ik weet nog dat ik een keer het wasmachinebakje opendeed en dat daar een nest babymuizen in zat. Nu denk ik: hoe vaak werd er dan eigenlijk gewassen en hoe schoon was ik eigenlijk zelf? Douchte ik eens per week, twee of drie keer, deed ik schone kleren aan? Ik weet het gewoon niet meer. Ik zie wel nog die berg vuile was op de grond van de badkamer liggen, overal hondenharen. Het was echt vies. Mijn moeder overzag het gewoon niet. Ze vereenzaamde en vervuilde.

Het is denk ik nooit iemand echt opgevallen dat het thuis zo misging of misschien zei niemand er wat van. Ik nam ook bijna nooit iemand mee naar huis. Op een gegeven moment had ik wel een vriendje dat weleens bleef slapen, maar dan ruimde ik een beetje op en mijn eigen kamer hield ik altijd wel netjes.’

Kleerhanger
‘Mijn moeders uitbarstingen hielden aan tot ik zo vijftien, zestien was. Ik weet niet eens meer waar ze boos over was. Ze kwam een keer met een kleerhanger op me af om me te slaan. Die heb ik uit haar handen getrokken en ik heb haar er een mep mee gegeven. Dat was de eerste keer dat ik iets terugdeed. Daarna is ze nooit meer zo tegen me uitgevaren.

Toen ik van school af kwam, heb ik een jaar op een vormingscentrum gezeten. Ik was nog leerplichtig, maar wist niet wat voor vervolgopleiding ik wilde doen. Daar op dat centrum kwam iemand voorlichting geven over een begeleidwonenprojecten. Er was er ook een in ons dorp. Ik spitste meteen mijn oren. Ik schreef me in en een halfjaar later kon ik terecht..

Mijn moeder vervuilde daarna nog meer. Op zeker moment begonnen buren te klagen. Ik weet nog goed dat ik terugkwam van Lowlands en dat mijn moeder daar huilend stond met de twee hondjes – mijn hondje was toen al weggelopen. Bijna alles was weggehaald door mannen in speciale pakken. Buiten stond een container, waar ze alles wat ook maar enigszins vervuild of besmet was in gegooid hadden. Al mijn tastbare jeugdherinneringen en kinderspeelgoed zijn daardoor verdwenen.’

Modelbewoonster
‘Niet lang daarna besloot maatschappelijk werk dat mijn moeder beter begeleid kon gaan wonen. Daar krabbelde ze wat op. Ik leerde intussen in mijn eigen begeleidwonenproject voor mezelf zorgen: koken, wassen, schoonmaken; gewoon, de praktische dingen. Er ging een wereld voor me open. Ik was een modelbewoonster enorm gedreven er iets van te maken, want ik had geen alternatief. In dat jaar besefte ik ook dat ik een vervolgopleiding wilde doen.

Ik ging op kamers in Nijmegen en begon aan de mbo-opleiding activiteitenbegeleiding. Ik leerde er veel over verschillende doelgroepen. Toen we het hadden over mensen met een verstandelijke beperking, viel bij mij het kwartje: dit ging over mijn moeder! Alle puzzelstukjes vielen op hun plek, maar ik durfde mijn moeder niet te vertellen wat ik ontdekt had. Weer later kreeg ze een diagnose. Ze kreeg, na een verhuizing haar dossier thuisgestuurd waarin stond dat ze een verstandelijke beperking had. “Ik ben verstandelijk gehandicapt,” zei ze aan de telefoon. Daar had ik geen goed antwoord op. Ja, ik wist het al, maar dat kon ik niet zeggen.’

Onder mijn niveau
‘Wat ik het meest gemist heb in mijn jeugd is stimulatie. Ik ben heel onzeker. Ik denk dat ik daardoor onder mijn niveau ben opgeleid, dat er meer in me zit dan eruit gekomen is. Tegenwoordig geef ik multimedia-trainingen op een dagbesteding voor mensen met een verstandelijke beperking en begeleid ik lichtverstandelijk gehandicapten in een wasserij. Door een stage ben ik min of meer de gehandicaptenzorg in gerold en misschien heb ik door mijn achtergrond ook wel een soort zorgdrang ontwikkeld. Ik heb veel plezier in mijn werk. Misschien wil ik later nog een opleiding doen, maar ergens vind ik het ook moeilijk te gaan studeren. Ik twijfel snel aan mijn capaciteiten. Bovendien heb ik nu een goed leven. Ik bezoek veel festivals en culturele activiteiten, heb een vriend en een zoon van vijf.’

Bij de bevalling
‘Ondanks mijn afwijkende jeugd heb ik me altijd goed kunnen redden, ook in de relatie met mijn vriend, met wie ik nu elf jaar samen ben. Ik heb hem al vrij snel verteld wat er met mijn moeder aan de hand was en daar reageerde hij goed op.

Pas na de geboorte van mijn zoon Levi, nu vijf jaar geleden, kwam de grote klap. Mijn moeder was bij de bevalling, dat wilde ze graag. Gek genoeg was ze toen even echt moeder. Ze heeft de hele nacht bij me gezeten en toen ik mocht persen hield ze mijn been vast. Ik vond het mooi dat ze daarbij was, had haar heel hard nodig op dat moment. Tegen beter weten in hoopte ik dat er daardoor een speciale verbintenis ontstaan was. Ik hoopte op de alomvattende liefde van mijn moeder, dat ze er vanaf dat moment voor me zou zijn met raad en daad. Dat viel tegen.

Hoe moet dat, moeder zijn?
‘Ik kwam in een depressie. Ik had ineens een zoon om voor te zorgen en dacht: oh, mijn God, wat heb ik gedáán. Het moederschap gaat bij mij niet vanzelf. Ik heb het gevoel dat ik niet goed weet hoe het moet, moeder zijn, de verantwoordelijkheid dragen voor een ander leven. Ik heb gewoon niet meegekregen hoe het op een normale manier werkt in de wereld – iets als normen en waarden bijvoorbeeld. Ik weet ook niet precies hoe ik dat moet bereiken. Ik ken alleen mijn moeders beperkte perspectief.

Ergens weet ik dat ik een prima moeder ben, ik hou heel veel van mijn zoontje en wil het beste voor hem. Ik weet ook dat ik de dingen heel anders doe dan mijn moeder. Ik knuffel veel, zoek zijn nabijheid, iets wat mijn moeder nooit deed. En ik geef hem dingen mee, stoom hem klaar voor de wereld. Toch voel ik me niet altijd een goede moeder.

Einzelgänger
‘Ongeveer een halfjaar na de geboorte van Levi ben ik in therapie gegaan. Mijn therapeute schrikt soms van de verhalen over mijn jeugd. Wie ben ik en waarom ben ik zoals ik ben. Ik vind het moeilijk me aan mensen te hechten, met mijn vriend een gezin draaiende te houden. Door mijn jeugd heb ik nooit geleerd dingen samen te doen en ben ik een behoorlijke einzelgänger geworden. In mijn hoofd gebeurt heel veel, maar ik kan niet altijd vertellen wat er in me omgaat omdat ik dat nooit geleerd heb. Het is voor mijn vriend soms ook moeilijk te begrijpen dat de problemen en onzekerheden die ik heb voortkomen uit mijn achtergrond.

Door lotgenotencontact besefte ik eigenlijk pas wat er allemaal is misgegaan bij ons. Ik vind het bijvoorbeeld kwalijk dat mijn moeder een diagnose heeft gekregen en dat ik daar op geen enkele manier bij betrokken ben. Niemand heeft iets tegen mij gezegd. Hulpverleners vertelden mij altijd alleen maar wat ik moest doen voor mijn moeder. Dat ik haar moest helpen met opruimen, met verhuizen. Nooit vroeg iemand hoe het met mij ging, nooit was er iemand voor mij.

Naar mijn idee is er nog veel te weinig kennis over verstandelijke beperkingen en het effect op kinderen daarvan. We weten veel over ouders met psychiatrische problemen of ouders met een alcohol- of drugsverslaving, maar gezinnen als de mijne heten nog te vaak “asociaal”, terwijl er veel meer aan de hand is.’

Aanleunwoning
‘Met mijn moeder gaat het nu, op haar 66ste, redelijk. Ze is rustig. Ze woont in een aanleunwoning. Daar krijgt ze thuiszorg en hulp met haar administratie van een ambulant begeleider. Ze belt me ongeveer eens in de twee weken. “Ik hoor nooit iets van je,” zegt ze dan. Voor mijn zoon er was deed ik heel veel voor mijn moeder. Ze heeft een slechte gezondheid, is te zwaar en heeft diabetes. Ik begeleidde haar met de auto naar het ziekenhuis, vertelde haar wat ze moest doen en hoe ze dat moest doen. Ik probeerde haar zelf de dingen te laten regelen, maar dat lukte niet.

Nu ik zelf een gezin heb, kan ik het niet meer goed opbrengen haar leven te regelen. En ergens denk ik ook: waarom zou ik al die energie erin steken als zij het niet belangrijk vindt om, bijvoorbeeld, naar de diabetesverpleegkundige te gaan. Ik vind het heel moeilijk om te zeggen, maar stel dat ze door alle gemiste ziekenhuisafspraken tien jaar korter leeft, is dat dan erg? Ik weet het niet. Ik denk niet dat mijn moeder er gelukkiger van wordt als ze nog twintig jaar leeft. Ik denk niemand, eigenlijk.’

De namen van betrokkenen zijn om privacyredenen gefingeerd.

Heb jij een nieuwstip? Geef het door aan de redactie